Ik weet nog dat ik hier voor het eerst binnenkwam — of eigenlijk: ik weet het vooral zo omdat de herinnering zó doorsnee is dat hij scherp bleef hangen: geurtje van espresso, gekletter van schaaltjes, iemand voor je die tijd heeft maar geen geduld voor gezwets. Alberto Pozzetto is geen adres voor een date met twaalf gerechten fotograferen; het is waar je naartoe gaat als je buik zegt 'broodje' en je hoofd nog steeds, tegen beter weten in, een beetje Noord-Italiaans wil worden.
Officieel zijn ze dit en dat — broodjeszaak hier, traiteur daar — maar in de praktijk voelt het als zo'n echte Amsterdamse klassieker die zich niet voor je persoonlijke merk hoeft te verontschuldigen. De Pijp om je heen doet tegenwoordig veel moeite om leuk te zijn; deze zaak hoeft alleen maar te zijn zoals die altijd al was: gevuld met vleeswaren achter glas, kazen waar je hoofdpijn van zou moeten krijgen van keuzestress maar die dat niet doen, en dat roffeltje aan vaste gasten waar je jezelf automatisch tussen schuift als je wilt horen hoe een buurt zichzelf beschermt tegen te veel succes.
En die koffie dan. Niet groot, geen schattig foamhartje erop — gewoon kop en prijs waar je nog kunt inhaleren voordat je morrelend aan je virtuele spaarrekening blijft. Het is waar we het tegenwoordig maar zelden over durven te hebben, omdat het te veel klinkt als een opiniestuk: 'Italiaanse prijzen' in een stad die je voor een halve latte soms meer laat aftikken dan je wilt toegeven.
Pak een broodje, neem plaats op de stoep of níet — maakt niet uit. Je komt niet voor het plaatje. Je komt omdat er nog ergens wordt gezeten waar lunch geen 'experience' hoeft te zijn maar gewoon eten tussen twee momenten door — met smaak die niet vraagt om applaus. Als je daar warm van wordt, ben je géén sucker; je bent gewoon nog iemand voor wie eten nog mag bestaan.