Binnen ruikt het naar rook en vet en iets wat je niet direct een naam wilt geven maar wel herkent: bos, kilte, een dier dat geen rekenschap heeft afgelegd van je schema in Google Agenda.
De Predetariër staat daar waar de Gerard Doustraat doet alsof ze gezellig is, terwijl er onder de huid van de stad altijd andere dingen zijn geweest: dingen met poten, met longen. Hier snijden ze wild alsof het geen gimmick is. Je bestelt rendang van hert, pastrami van gans, coppa van everzwijn — elk broodje een klein dossier tegen de industrie waar we onszelf zo graag in verschuilen.
Je hoeft niet te geloven in hun filosofie om te weten dat het klopt tussen je kiezen door: smaak breed en donker en een beetje onbeholpen eerlijk, zoals echte smaak daar soms bij hoort als hij niet heeft leren lachen naar de-camera. Er is ook plantaardig; het voelt niet als camouflage maar als tegenwicht — alsof ze weten dat eten meer is dan jezelf rechtzetten tegen de wereld.
Ik sla geen trom voor jachtromantiek hier. Ik zeg dit: tussen de mokka's en bitterballen-hotspots is dit een plaats waar het vlees niet doet alsof het nooit geleefd heeft. Als je daar bang voor bent, sla je deze zaak maar over.
Wie blijft, eet met handen die eventjes trillen van kou of honger of van iets dat je van vroeger kent en nooit helemaal stil is geworden. Daarna loop je de straat weer in en proeft de stad scherper — alsof iemand het glas een slag heeft gegeven zonder dat je het zag aankomen.